|
Kranten bericht uit Hadelsblad uit 27-09-1912
Het Tolhuis
Het pleit is beslist, het oude tolhuis, dat als een wolk van groen onder den rusteloozen hemelkoepel ligt aan de overzijde van het IJ. Zal naar het Handelsblad meldt, verdwijnen om plaats te maken voor de tentoonstelling op scheepvaartgebied. Ontegenzeggelijk spreken hier voor Amsterdam hoogere belangen dan het bezit van menige uitspanning meer of minder, maar toch zal menige stadsgenoot het jammer vinden, dat juist dit plekje moet worden opgeofferd. Het eigenlijke Tolhuis werd omstreeks 1660 in de Volewijk gebouwd. Die naam, een verbastering van Voelwijk, dat weer een samentrekking van Vogelwijk was, doet niet alleen denken aan de vruchtbaarheid der ouden Amsterdamsche geslachten, als zij “ naar de Volewijk varen “ gingen, maar ook aan de oude gerechts plaats der stad. Oude plattegronden laten ons daar plaatse steeds een galg met cadaver zien en nog op een plattegrond van omstreeks 1850 heet een baken, aan de andere zijde van Tolhuis en petroleumhaven , de Galgenbaak. Hetopreor de Wederdoopers vond er een ruimenoogst; Commelin geeft ons een griezelig plaatjevan de dubbele galg aan de Volewijk met al haar slachtoffers. In 1662 werd niet alleen een rijweg, maar ook een trekvaart gemaakt door de Volewijk,tot aan de dijk Buiksloot toe. Het veer op Buiksloot behoorde aan de stad; weg en vaart werden onderhouden door de gabelle of belasting die aan het Tolhuis geheven werd. Een Fransche gids van 1772 meldt, dat men de gabelle betaalde aan den veerman, die voor de gelden verantwoording schuldig was aan den tolgaarder. Het tolhuis was de eenige woning in de Volewijk; reeds in 1663 kocht de stad al de landerijen van de Volewijk op waarna zij een geregelde schouw op den z.g. Zomerdijk daar ter plaatse instelde. In Wagenaar’s tijd was Mr. Gerrit Hooft burgemeester,dijgraaf van de Volewijk; de ontvanger der gabelle, die in het Tolhuis woonde, droeg den naam van Schout van de Volewijk. Het Tolhuis werd tegelijk een herberg. Van waar men een heerlijk uitzicht had op het IJ,zijn tallooze schepen en de stad. Wie zich de vele heerlijke doeken van een Bakhuizen, een Nooms, een Ruysdeal e.a. herinnert en de niet minder talrijke aanblikken op de stad inteekening en gravuren, kan zich voorstellen, welk een uitzicht vol afwisseling meer nog dan thans zoo’n zitje aan het oudse Tolhuis moet hebben opgeleverd. In 1770 was het bezoek aan het tolhuis zoo lonend, “vermits het schoon gezigt van ’t Ye” , dat er mooie koepel of : tuyhuys” werdt gebouwd, en toenj de oude stadsherberg werd afgebroken, werd er een “vertrek” aan toegevoegd “tot gerijf van zulken, die na ’t sluiten der boomen, voor de stad kwamen en, voor deezen, hunnen intrek in de oude-stadsherberg plagten te nemen” Van toen af heeft het Tolhuis in steeds toenemende mate gebloeid zelfs in de napoleontischen tijd onder den toezienden blik de douaniers met name in onze dagen onder Mol en zijne erven. Voor partijen en feesten in landelijke trant behoefde men het Tolhuis en nergens is ooit “de slag van Waterloo” ooit meer populair geworden dan op deze plek, die nu zal ophouden het aangenaamste rustpunt van het oog te worden van den wandelaars aan het IJ.
|